In de notitie staan de volgende kengetallen uitgewerkt:
- Stikstofbodemoverschot (kg N/ha)
- Stikstofbedrijfsoverschot (kg N/ha)
- Ammoniakemissie graasdieren (kg NH3/ha)
- Aandeel eiwit van eigen land (%)
- Aandeel blijvend grasland (%)
- Broeikasgasemissies (g CO2-eq/kg meetmelk)
- CO2-emissie uit de bodem (g CO2-eq/kg meetmelk)
Aanpak
Om de effecten van de gewijzigde rekenmethode te bepalen zijn 985 melkveebedrijven (geanonimiseerd) doorgerekend met de KringloopWijzer versie 2025 en 2026. De verdeling van deze bedrijven is representatief voor Nederland op basis van grondsoort en intensiteit.
De gemiddelde verschillen (2026 minus 2025) zijn:
VEM2022 behoeftenormen systeem
Om de voerbehoefte en voeropname te bepalen voor de KringloopWijzer van 2026 is het VEM-systeem geactualiseerd. Gerekend wordt met het nieuwe VEM2022-systeem. Bij dit systeem is meer energie (voer) voor onderhoud nodig en minder energie (voer) voor melkproductie. Dit betekent dat bij hoogproductieve koeien de voeropname lager zal zijn dan in de versie van 2025 en dat bij laagproductieve koeien de voeropname hoger zal zijn dan in de versie van 2025. Het omslagpunt van meer naar minder voeropname zal grofweg tussen de 9.500 en 10.500 kg melk per koe liggen, afhankelijk van de situatie.
Als er gevolgen voor de berekende duurzaamheidskengetallen zijn, zijn die vaak toe te schrijven aan de toepassing van het VEM2022-systeem in plaats van het VEM-systeem.
Grootste effect: CO2-emissie uit de bodem
De CO2-emissie uit de bodem daalt gemiddeld 6 g/kg meetmelk. Dat is een daling van bijna 8%. Dit is een gemiddelde over alle bodemtypen, zowel mineraal (zand en klei) als organisch (veen). Het verschil komt vooral door 2 aanpassingen. Ten eerste wordt in de berekening een recenter weerjaar meegenomen. Het weer heeft invloed op de vastlegging en emissie van koolstof in de bodem. Daarnaast leidt de invoering van het VEM2022-systeem en de aangepaste groei van jongvee tot een iets hogere excretie van stikstof en fosfaat. Daardoor kan de bemesting met organische mest en de aanvoer van organische stof licht toenemen, wat zorgt voor iets meer koolstofvastlegging en dus een lagere CO2-emissie.
Kleine verschillen: ammoniakemissie graasdieren en broeikasgasemissies
De ammoniakemissie van graasdieren daalt gemiddeld met 1%. Dit verschil komt vooral door het VEM2022-systeem en de aangepaste groei van jongvee, waardoor de voeropname en stikstofexcretie veranderen. Dat werkt door in de hoeveelheid TAN in de mest en daarmee in de berekende ammoniakemissie.
De broeikasgasemissies (inclusief veenemissies) stijgen licht met gemiddeld 1%. Dit wordt vooral veroorzaakt door veranderingen in voeropname door het VEM2022-systeem en aangepaste jongveegroei, gecombineerd met kleine aanpassingen in emissiefactoren van onder andere aangevoerde producten.
Overige kengetallen
Voor de kengetallen stikstofbodemoverschot, stikstofbedrijfsoverschot, aandeel eiwit van eigen land en aandeel blijvend grasland zijn de verschillen tussen 2025 en 2026 zeer klein of nihil (0%). Eventuele afwijkingen tussen bedrijven hangen vooral samen met veranderingen in voeropname, voorraadverandering en in enkele gevallen verschuiving in de toedeling van land aan de melkveetak, maar leiden gemiddeld niet tot andere uitkomsten.